U bevindt zich op: Home Publicaties Dossiers Bestuur op afstand Ministeriële verantwoordelijkheid en rwt’s

Ministeriële verantwoordelijkheid en rwt’s

Als het Rijk geld besteedt en een publieke taak uitvoert, dan is er sprake van ministeriële verantwoordelijkheid. Dat geldt niet alleen voor taken die de minister (het ministerie) zelf uitvoert. Maar ook als het publieke geld wordt geïnd, beheerd of besteed door instellingen op afstand van het Rijk en als de publieke taak door instellingen op afstand van het Rijk wordt uitgevoerd, is er sprake van ministeriële verantwoordelijkheid. De minister moet zich door goed toezicht ervan vergewissen dat het naar behoren gebeurt. De minister is immers verantwoordelijk voor het besluit om een instelling op afstand van het Rijk in te schakelen. Hierover moet de minister verantwoording afleggen aan het parlement.

Definitie Raad van State

De Raad van State heeft ministeriële verantwoordelijkheid omschreven als het staatsrechtelijk uitgangspunt dat de ministers - gezamenlijk en afzonderlijk - aanspreekbaar zijn op het doen en laten van de regering bij het behartigen van het algemeen belang en de vervulling van taken die aan het ambt van minister zijn verbonden.

Omhoog

De minister is algemeen aanspreekbaar

Op 6 november 2000 hebben de regering en de Tweede Kamer over de nota 'Vertrouwen in verantwoordelijkheid' van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) gedebatteerd. Bij die gelegenheid zijn de voornaamste beginselen van de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid (opnieuw) vastgesteld. De Tweede Kamer wilde zich hier echter niet onvoorwaardelijk binden. Uiteindelijk bepaalt het parlement zelf waarvoor het een minister (politiek) verantwoordelijk stelt. Dit principe van parlementair primaat staat bekend als de algemene aanspreekbaarheid van de minister. Als het parlement dat wenst, kan het de minister voor al zijn doen en laten op zijn beleidsterrein verantwoordelijk stellen, ongeacht de bevoegdheden waarover hij beschikt.

Omhoog

Een bewindspersoon verantwoordelijk voor beleid en uitvoering

De minister en de Kamer waren het in dit debat ook eens dat zowel voor de formulering als voor de uitvoering van rijksbeleid één bewindspersoon verantwoordelijk behoort te zijn, ook als het beleid door anderen wordt uitgevoerd. Als de minister geen of onvoldoende bevoegdheden heeft, kan de Kamer hem aanspreken op de vraag waarom dit zo geregeld is: waarom heeft de minister zichzelf niet de noodzakelijke bevoegdheden verschaft? De Kamer kan de minister ervoor verantwoordelijk stellen dat het wettelijk kader kennelijk niet adequaat is.

Omhoog

Ook zonder bevoegdheden is de minister aansprakelijk

Ministers kunnen de uitvoering van hun beleid ook beïnvloeden zonder gebruik van bevoegdheden te maken. Bijvoorbeeld door invloed uit te oefenen via bestuurlijke netwerken en door overtuigingskracht. Zo kan de minister ervoor zorgen dat andere organisaties (bijvoorbeeld decentrale overheden en maatschappelijke organisaties) in overeenstemming met het rijksbeleid handelen. Het parlement verwacht dikwijls van ministers dat zij op deze manier aan maatschappelijk draagvlak werken en spreekt hen er op aan.

Omhoog

Algemene en specifieke verantwoordelijkheid

De begrippen algemene en specifieke verantwoordelijkheid bakenen de verantwoordelijkheid van de minister af in relatie tot de wet- en regelgeving op zijn beleidsterrein. De minister heeft een algemene verantwoordelijkheid voor (de vormgeving van) het wettelijk kader en voor eventuele wijzigingsvoorstellen. De minister heeft een specifieke verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de bevoegdheden die hem zijn toegekend in de betreffende wettelijke regeling. 

Omhoog
 

Volledige versie