U bevindt zich op: Home Publicaties Onderzoeksrapporten 2016 05

Resultaten verantwoordingsonderzoek 2015 bij Wonen en Rijksdienst

De Algemene Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar het Jaarverslag 2015 en de bedrijfsvoering van het Ministerie voor Wonen en Rijksdienst.

Resultaten verantwoordingsonderzoek 2015 bij Wonen en Rijksdienst PDF, 1339 kB


Onze conclusies

Coördinatie rijksbrede bedrijfsvoering is in ontwikkeling

De bedrijfsvoering van het Rijk wordt steeds meer ingericht volgens de ‘één concern Rijk’-gedachte. In het verlengde daarvan heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst (WenR) een bijzondere bevoegdheid voor de rijksbrede bedrijfsvoering. Hij kan namelijk na overleg met de andere ministers kaders vaststellen ter bevordering van de eenheid, de kwaliteit of de efficiëntie van de bedrijfsvoering door de ministeries. Daarna volgt de monitoring en desgewenst bijsturen van de uitvoering in de praktijk. De taak van de minister voor WenR strekt zich uit tot de terreinen personeel, informatie- en communicatietechnologie (ICT), organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging.

In het afgelopen verantwoordingsjaar hebben we de coördinatie, de kaderstelling en de monitoring / bijsturing van kaders rond informatiebeveiliging en inkoop onderzocht.

Wij stellen vast dat de minister voor WenR extra capaciteit heeft ingezet op de coördinatie van de implementatie van de Baseline Informatiebeveiliging Rijk (BIR). Er is extra aandacht geweest voor sturing op risico’s en dat heeft rijksbreed meer zicht op beveiligingsrisico’s opgeleverd. Verder is het BIR kader verhelderd en is een tijdpad voor de implementatie ervan vastgesteld. Wel hebben we geconstateerd dat de informatiewaarde van de in control verklaringen van de departementen wisselend was. Via de in control verklaringen informeren de departementen de minister voor WenR over de resterende beveiligingsrisico’s. Voor de komende jaren vragen we blijvend aandacht voor coördinerende activiteiten en de personele bezetting die hiervoor nodig is.

Bij de implementatie van inkoopkaders stellen we vast dat de rijksbrede inkoopcirculaire Grensbedragen is verbeterd. Het is duidelijker wanneer de inkoper meer dan één leverancier moet benaderen. Wel kan de minister voor WenR het inkoopbeheer van het Rijk nog verder verbeteren. Rijksbrede kaders voor de motivering van de leverancierskeuze ontbreken, waardoor de objectieve leverancierskeuze niet altijd voldoende is onderbouwd.

Dit heeft in 2015 bij verschillende ministeries tot de nodige onzekerheden in de rechtmatigheid van de inkopen geleid. Zie ook ons rapport de Staat van de Rijksverantwoording.

De minister voor WenR is voornemens de noodzakelijke professionaliteit van de inkoopfunctie te verbeteren en het monitoren en bijsturen van de uitvoering van de inkoopkaders te versterken.

In eerder verantwoordingsonderzoek hebben wij het programma Compacte Rijksdienst gevolgd. Begin 2015 heeft de minister dit programma formeel afgesloten. Het programma leidde tot belangrijke ingrepen in de bedrijfsvoering van het Rijk waardoor besparingen zouden worden gerealiseerd tussen de € 601 miljoen en € 651 miljoen. Wij hebben aanbevolen dat de minister zich ook na de afsluiting van het programma ervan diende te vergewissen dat de veranderingen in de bedrijfsvoering ook daadwerkelijk het beoogde effect hebben op rijksniveau en de Tweede Kamer hierover te informeren. Tijdens de behandeling van de begroting 2016 heeft de minister toegezegd om de monitoring van de resultaten van het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst op geaggregeerd niveau voort te zetten.

De minister heeft in zijn jaarverslag hier evenwel geen informatie over gegeven. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 wordt op geaggregeerd niveau over de bedrijfsvoering gerapporteerd maar wordt niet specifiek ingegaan op de Compacte Rijksdienst. Voor de Tweede Kamer is het daarom lastig om inzicht te krijgen in de resultaten van de Compacte Rijksdienst.

De minister voor WenR is naast het coördineren van de rijksbrede bedrijfsvoering, ook belast met het zorgdragen voor een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt. In het kader van deze taak van de minister voor WenR hebben we onderzoek gedaan naar het energielabel koopwoningen.

Het energielabel voor woningen: betrouwbaarheid niet gewaarborgd en effecten gering.

Het in Nederland gekozen ‘doe-het-zelf-energielabel’ is – op aandringen van de Tweede Kamer –zeer laagdrempelig gemaakt. Die laagdrempeligheid levert in de praktijk risico’s op voor de betrouwbaarheid van het label.

Bovendien blijkt uit ons onderzoek dat het energielabel vooralsnog weinig effect sorteert: het label biedt huiseigenaren weinig inzicht in de energiezuinigheid van een woning en het label zet niet aan tot het treffen van extra energiebesparende maatregelen. Zie verder § 3.1 van dit rapport en onze separate publicatie over dit onderzoek.

In het rapportwerken wij bovenstaande conclusies verder uit:

  • Beleidsresultaten: hier vindt u conclusies over onderzoek naar ‘governance’, het energielabel koopwoningen en de vergunninghouders.
  • Bedrijfsvoering: wij hebben een oordeel over het inkoopbeheer Haagse Inkoopsamenwerking. Ten opzichte van 2014 zijn vier onvolkomenheden komen te vervallen.
  • Financiële informatie: wij zijn van oordeel dat de financiële informatie rechtmatig en getrouw is met uitzondering van twee tolerantieoverschrijdingen.
  • Reactie van de minister en nawoord Algemene Rekenkamer. De minister voor WenR heeft op 25 april 2016 gereageerd op ons conceptrapport.

 


 

Volledige versie